Sebastiaan leenaert © 2011 •

 

 

Een misdaadroman met

een kafkaiaans trekje

De 22 september kan je lezen als een moordverhaal, 

 maar ook als een parodie op het genre waarin ambtenaren proberen om zich recht te houden in een absurde, hiërarchische wereld. 

 

volwassenenliteratuur

in voorbereiding

 

 

 

De 22 september

 

Meneer Archibald hield zijn rechteroor tegen de poort  en vroeg zich af of de rondleiding deze keer misschien wel een bezoek zou brengen aan het depot. Het lijkt misschien vreemd dat meneer Archibald na al die jaren nog steeds verwachtingen koesterde, maar zo zat  meneer Archibald nu eenmaal in elkaar. Zijn moeder noemde hem als kind eerst onschuldig, later naïef, en net voordat ze kwam te sterven, ronduit debiel. Zijn vader had nooit enig begrip getoond voor de beperkte intellectuele capaciteiten van zijn zoon, en toen zijn echtgenote overleden was, werd Archibald, twaalf jaar en vier maand oud, toevertrouwd aan de zorgen van het Don Matteo Jongensinternaat in de Priester Selinkstraat, gelegen in de stadsrand te midden van industrieterreinen en naast een vleesverwerkingsbedrijf hetwelk een walgelijke geur verspreidde, vooral vroeg in de morgen als de onverteerbare resten van de kadavers uit de ovens geschraapt werden. De exotische naam van het instituut was totaal misleidend voor het grauwe gebouwencomplex waarin het gehuisvest was. Don Matteo had zijn pedagogische inzichten meegebracht vanuit het Porto Nuovoinstituut waar hij zijn opleiding genoten had, een, volgens Europese standaard, tweederangsuniversiteit in een middelgrote Italiaanse kuststad, die door de rest van het land vooruitstrevend genoemd werd. Over de decennia heen hadden deze moderne principes zich echter geassimileerd met de gangbare, maar vastgeroeste opvoedingspraktijken van de stad, wat al snel resulteerde in een harde aanpak, een ijzeren discipline en uniform publiek, zowel qua uitzicht als qua inhoud. 

 

 

Stationsgids 4,zei stationsgids 4                                                                                          

Naam?                                                                                                                           

 De gids reageerde niet onmiddellijk. Hij had die vraag al lange tijd niet meer gehoord en wist niet goed wat hij moest antwoorden. Hij was niet getrouwd, had zijn vader en moeder nog voor Het Begin van Alles verloren. Hij meende zich te herinneren dat zijn moeder zijn voornaam gebruikte als ze hem aansprak, maar heel zeker was hij niet. Later, iin zijn professionele leven, was hij een nummer geworden. Hij had er al veertien jaar dienst binnen het Spoorwegen opzitten en kon zich de dag dat hij werd aangenomen nog helder voor de geest halen. Men had toen ook naar zijn naam gevraagd. Hij had hem gegeven. Voornaam, achternaam en zijn toenmalige adres, Knijpestraat 1867 B. Daarna was hij dus  een nummer geworden. Nummer 4. Gids nummer 4, zo kenden zijn collega’s en zijn oversten hem nu. Hij was natuurlijk niet vanaf de eerste dag nummer 4 geworden, dat spreekt vanzelf. Hij werd aangenomen als nummer 22. Daarna werd hij achtereenvolgens nummer 18, nummer 12 en in de zomer van 78 kreeg hij te horen dat hij de nieuwe nummer 10 was. Dat was een blij moment. Hij had het na diensttijd op een bescheiden manier met nummer 9 en nummer 8 gevierd in brasserie De Rattenkoning aan de rand van het plein. Het was die avond dat hij voor het eerst een Dolle Knol én een Plezanten Gust gedronken had, wat hij de dag erna natuurlijk had moeten bekopen.Toen kwam dat spijtige voorval waardoor hij opnieuw nummer 12 werd. En deze keer bleef hij een hele lange periode nummer 12. Veel langer dan men nummer 12 hoorde te zijn. Hij had er erg onder geleden. Gelukkig ging ook die donkere tijd voorbij en voor hij het wist was hij nummer 5 en dan nummer 4. Of hij ooit nummer 3 zou worden wist hij niet.